nandoonline

PSAM modes

Belichtinginstelling

Inleiding

Onlangs zag ik een verschrikkelijk lange discussie op een forum voorbij komen over het gebruik van de vier belichtingsinstellingen op een camera. Wat is beter? Een volledig automatische stand zoals de [P]? De handmatige mogelijkheid [M]? Of iets er tussenin?
Uit deze ellelange discussie was op te maken dat sommigen ervan overtuigd zijn dat professioneel fotograferen alleen met de stand [M] kan. Sterker nog, dat perfect belichte foto’s voorbehouden zijn aan de [M] stand. Dat gaf mij het idee om dit artikel te schrijven waarin ik wil laten zien wat het verschil is tussen de vier verschillende belichtingsinstellingen. Om alvast vooruit te lopen: alle vier de mogelijkheden zullen, mits goed gebruikt, een goed belichte opname opleveren.

Er zijn ruwweg vier verschillende modes of belichtingsinstellingen op de camera in te stellen. Handmatig [M], diafragmavoorkeuze [A] of [Av], sluitertijdvoorkeuze [S] of [Tv] en de volledig automatische stand; de program mode [P]. Deze vier instellingen worden vaak samengevat met de term PSAM modes. Omdat ik werk met Canon gebruik ik in dit artikel voornamelijk de afkortingen die Canon gebruikt.

Maar voor ik begin met de PSAM modes vertel ik eerst nog iets over de ISO waarde, die onomstotelijk verbonden is met het meten en instellen van een goede belichting.

ISO (deel 1)

Fig 1: DIN ASA tabel op Minolta XG-1

De ISO waarde staat voor de gevoeligheid van de sensor. Het is een nakomeling uit het analoge tijdperk waarin een film emulsie in een bepaalde mate gevoelig was voor licht. Hoe hoger de waarde, hoe gevoeliger de film emulsie.
In die tijd werd er nog gesproken over ASA / DIN maar ook ISO bestond al. Zo sprak men bij de standaard kleurnegatief film over 21° DIN en 100 ASA of samengevat 21°/100 ISO. Die laatste term ISO is nu overgebleven en hoewel de film emulsies grotendeels vervangen zijn door sensoren wordt nog steeds in termen van gevoeligheid gesproken.

Het misschien wel grootste verschil tussen het huidige digitale en het analoge tijdperk is de variabele ISO waarde van de digitale camera’s. Moest je vroeger op voorhand kiezen en zat je 12, 24 of 36 foto’s lang vast aan die keuze, zo kun je tegenwoordig per foto een andere ISO waarde kiezen. Naar gelang de omstandigheden kunnen we elke ISO waarde kiezen op elk moment dat we willen. Of we laten het de camera doen!
Deze mogelijkheid maakt het fotograferen een stuk flexibeler en in zekere zin eenvoudiger dan vroeger. Tegelijkertijd maakt het voor een beginnende fotograaf een stuk complexer. Er zijn nu geen twee manieren om je belichting in te stellen (sluitertijd en diafragma) maar drie (gevoeligheid).

Laten we de ISO waarde even voor het gemak buiten beschouwing laten. We zetten de ISO voorlopig vast op een waarde van 200. Op het einde van het verhaal nemen we de ISO waarde mee in de vergelijking.

De basis van alles: belichting meten

Alles handmatig

Vroeger, voordat camera’s een belichtingsmeter hadden, werd er gebruik gemaakt van de f/16 vuistregel. Die hield het volgende in: bij zonnig weer, rond het middaguur, is bij diafragma 16 de belichtingstijd hetzelfde als de gevoeligheid van je film/sensor. Aan de hand daarvan kon een fotograaf schatten wat de belichting moest zijn bij andere weersomstandigheden, of dagdelen.

diafragma Licht condities Schaduw detail
f/22 sneeuw / zand donker met harde overgangen
f/16 zonnig aanwezig
f/11 licht bewolkt zachte overgangen
f/8 bewolkt bijna niet zichtbaar
f/5,6 zwaar bewolkt geen schaduwen
f/4 schaduw / zonsondergang geen schaduwen
f/2,8 tegenlicht n.v.t.
Looking through a Praktica MTL-3 (5D20373)

Fig 2: gesimuleerde belichting indicatie in Praktica MTL-3

Natuurlijk was het mogelijk om gebruik te maken van een losse belichtingsmeter. Daarop was af te lezen welke instellingen de camera moest hebben om een correct belichte foto te krijgen.

De komst van een ingebouwde belichtingsmeter maakte het instellen van de camera een stuk eenvoudiger. Het is niet langer nodig om een losse meter bij de hand te hebben: alles is in de camera geïntegreerd. Door de belichtingsmeter in de camera te activeren is het mogelijk om bij een handmatig ingestelde diafragmawaarde handmatig de juiste belichtingstijd te kiezen. Of andersom. Een aanduiding in de zoeker van de camera geeft precies aan of er overbelichting of onderbelichting is, zoals in figuur 2 zichtbaar gemaakt (onderbelichting weergegeven in het zoekerbeeld van een oude Praktica MTL-3 analoge camera) zodat je kan corrigeren door een van de instellingen te wijzigen.
Eenvoudig gezegd: de camera meet het licht, en de fotograaf stelt handmatig het diafragma en de sluitertijd in aan de hand van die meetgegevens.

Halfautomatische camera’s

Met de komst van halfautomatische camera’s werd een deel van het instellen uit handen genomen. De fotograaf hoefde alleen nog maar een diafragma te kiezen en de camera stelde aan de hand van zijn belichtingsmeter de juiste sluitertijd in. Dit is de diafragmavoorkeuze [A] of [Av].
De variant daarop is de sluitertijdvoorkeuze [S] of [Tv]. Hierbij kiest de fotograaf een sluitertijd waarna de camera het juiste diafragma in stelt.
Het fotograferen wordt hierdoor een stuk sneller ten opzichte van het handmatig instellen. De camera neemt een deel van het werk voor de rekening.

Volautomatische camera’s

Techniek staat niet stil. Met modernere camera’s werd het zelfs voor de fotograaf niet meer nodig om één van de twee waarden te kiezen. De camera meet de hoeveelheid licht en stelt zowel diafragma als sluitertijd in: de programma instelling [P] was geboren. De fotograaf maakt alleen nog maar de compositie en druk de knop in. Makkelijker kan niet.

Goed, beter, best

Wat ik met dit verhaal duidelijk wil maken is dit: welke instelling er ook gekozen wordt: er gaat ALTIJD een lichtmeting aan vooraf. De vier verschillende belichtingsstanden bepalen alleen maar wat de fotograaf zelf nog moet doen. De bewering dat de [M] stand betere resultaten oplevert dan een [P] stand is volledig ten onrechte. Er is hierin geen betere of beste instelling te benoemen.

Natuurlijk zal dit bij veel fotografen weerstand oproepen, en dat is begrijpelijk. Want zeg nu eerlijk: als al die belichtingsmogelijkheden niets uitmaken, waarom hebben we dan een keuze tussen deze vier instellingen. Het antwoord daarop is eigenlijk heel simpel. De vier belichtingsinstellingen geven de fotograaf een zekere hoeveelheid controle over het gedrag van de camera. Hierdoor kan het gebruik van de camera en het maken van foto’s vereenvoudigd worden.

Er zijn geen regels of wetten die bepalen wanneer welke instelling gebruikt moet worden. Maar er kan van een paar richtlijnen uitgegaan worden. Deze richtlijnen heb ik hieronder op een rijtje gezet. Vergeet echter niet dat het geen vaste regels zijn, en dat het zeer zeker geen maat is voor de professionaliteit van de fotograaf.

Vergeet ook niet: de ISO blijft ongewijzigd op 200 staan.

Programma stand [P]

Alles is automatisch door de camera ingesteld. Sluitertijd en diafragma wordt bepaald aan de hand van software en is in feite gebaseerd op die aloude f/16 regel. Daarbij wordt rekening gehouden met zoveel mogelijk scherp, maar een belichtingstijd die dusdanig is dat er nog uit de hand gefotografeerd kan worden. Naarmate de belichtingstijd dichter bij waardes rond de 1/60sec komt, de sluitertijd waar bewegingsonscherpte door de fotograaf een rol kan gaan spelen, zal er een grotere lensopening gekozen worden. Het is een spel waarbij we als fotograaf de uiteindelijk ingestelde sluitertijd en diafragma niet makkelijk kunnen voorspellen.

Wanneer [P]?
Dit is de instelling waarmee de fotograaf zich niet druk hoeft te maken over scherptediepte of sluitertijd. De camera doet dit allemaal. Huis, tuin en keuken kiekjes zou het eerste zijn wat in me opkomt waarvoor de [P] stand geschikt is.
Het nadeel noem ik het verliezen van controle over de instellingen, met name de scherptediepte (bepaald door diafragma).

Castlefest 2008 (1D014130)

Fig 5: Foto’s zoals deze zijn uitstekend in programma mode te maken

Diafragma voorkeuze [A] of [Av]

De fotograaf kiest een diafragma en de camera stelt aan de hand van de belichtingsmeting de juiste sluitertijd in. Met deze methode zal de fotograaf een volledige controle over het diafragma hebben en kan dus zelf bepalen hoeveel scherptediepte (DOF) de foto zal hebben. Hierdoor kan bewust gekozen worden om een onderwerp uit de omgeving te isoleren (zie figuur 6) of om zoveel mogelijk scherp te hebben, van vlak bij de camera tot aan de horizon.

Wanneer [Av]?
Diafragmavoorkeuze geeft een volledige controle over scherptediepte (DOF). Portretten, landschappen en vogelfotografie zijn onderwerpen die in mijn gedachten komen.
Het nadeel van de [Av] stand is het risico dat bij een grote lensopening de maximale sluitertijd behaald wordt. Een foto zal in dat geval dus overbelicht zijn (of de camera weigert een foto te maken). Het andere nadeel is het gevaar van bewegingsonscherpte. Wanneer er gekozen is voor een grote scherptediepte kan de sluitertijd zo lang worden dat uit de hand fotograferen niet meer mogelijk is (hoewel de opname goed belicht zal zijn).

Heather in bloom (1D099222)

Fig 6: Controle over de scherptediepte door gebruik van diafragmavoorkeuze

Sluitertijd voorkeuze [S] of [Tv]

De fotograaf kiest een sluitertijd en de camera stelt aan de hand van de belichtingsmeting het juiste diafragma in. Met deze methode heeft de fotograaf volledige controle over de sluitertijd wat bij snel bewegende onderwerpen een voordeel heeft. Bewegingen kunnen bevroren worden door bewust een snelle sluitertijd te kiezen (figuur 7). Het is ook mogelijk om bewust een langere sluitertijd te kiezen om beweging zelf zichtbaar te maken. De scherptediepte zal in deze gevallen van ondergeschikt belang zijn.

Wanneer [Tv]?
Voor een volledige controle over de sluitertijd. Sportfotografie komt hierbij meteen in mij op. Deze instelling geeft de controle over het al dan niet bevriezen van een beweging.
Het grote nadeel is de beperkte keuze van lensopeningen waardoor de kans bestaat dat er meer licht nodig is dan het objectief kan doorlaten. Het resultaat zal een onderbelichte foto zijn (of de camera blokkeert). Er is dus minder speelruimte wat betreft instellingen waardoor de fotograaf eerder tegen de grenzen van wat mogelijk is zal aanlopen.

Luchtmachtdagen 2009: Volkel (1D035847)

Fig 7: Snelle acties zijn geschikt voor sluitertijdvoorkeuze

Manual [M]

De fotograaf moet in deze stand zowel het diafragma als de sluitertijd instellen. Dit kan op ervaring en inzicht (trail & error) maar er kan ook gebruik gemaakt worden van de ingebouwde belichtingsmeter. Deze lichtmeting kan als richtlijn aangehouden worden voor een correcte instelling. Hiermee heeft de fotograaf in principe een totale vrijheid voor het instellen van de sluitertijd als diafragma. Op deze manier werken maakt fotografie tot een bewust handelen. Handmatig instellen kan snel, maar over het algemeen kost dit (veel) meer tijd.

Wanneer [M]?
Een volledige controle over de belichting die bij meerdere opnamen constant zal blijven. Vooral bij flitsfotografie (studio) maar ook bij panoramafotografie is dit de te adviseren instelling.
Als nadeel kan de tijd genoemd worden die nodig is om de camera in te stellen.

Huwelijksreportages

Fig 8: Handmatig is uitermate geschikt voor flitsopnames binnen

Invloed uitoefenen op [P] stand

Met veel digitale camera’s is het mogelijk om de waardes die de belichtingsmeter kiest in de programma stand [P] te beïnvloeden. Er zijn twee verschillende mogelijkheden, die onafhankelijk van elkaar te gebruiken zijn en daarmee meer controle geven over het fotograferen in de [P] stand.

Creative modes

PSAM dail on an EOS 20D camera (5D20378)

Fig 9: PSAM knop op een EOS 20D met creative modes

Bij moderne camera’s kunnen we invloed uitoefenen op de manier hoe de camera een keuze maakt tussen diafragma en sluitertijd. Dit zijn de zogenaamde creative modes die met name op cameramodellen voor de consumentenmarkt te vinden zijn. Zoals in figuur 9 te zien is vinden we speciale instellingen voor ‘sport’ (sluitertijd zo kort mogelijk houden), ‘landschap’ (een zo groot mogelijke scherptediepte) en ‘portret’(een kleine scherptediepte voor een onscherpe achtergrond). Maar ook ‘macro’ en ‘nachtopnamen’ behoren tot de mogelijkheden.
Hoewel met deze instellingen nog steeds gebruik gemaakt wordt van de [P] stand, wordt rekening gehouden met het doel waarvoor gekozen is. Maar binnen bepaalde grenzen. Het blijft moeilijk om te voorspellen wat de camera pecies in zal stellen. Nietemin zal het eindresultaat creatiever zijn dan de standaard [P] stand.

Handmatig corrigeren in de programma stand [P]

Het kan ook mogelijk zijn dat de fotograaf, na het instellen van de meetgegevens uit de [P] stand, door middel van een instelwiel of knoppen de instelling van het diafragma kan wijzigen. De camera corrigeert dit door de sluitertijd aan te passen. Dit gaat wel voorbij het primaire doel van een [P] stand: de camera alles automatisch laten instellen.

Belichtingscorrectie

Even een kort en vooral vereenvoudigd stukje theorie over hoe een belichtingsmeter werkt.

Top screen of an EOS 5D (1D113229)

Fig 10: -2/3EV belichtingscorrectie ingesteld op een EOS 5D

De belichtingsmeter van de camera meet hoeveel licht het onderwerp reflecteert. Hoeveel licht er gereflecteerd wordt is afhankelijk van de kleur en helderheid van het onderwerp. Een donker (zwart) onderwerp zal minder licht reflecteren dan een licht (wit) onderwerp.
Een belichtingsmeter gaat standaard uit van een 18% grijswaarde. Dit betekent dat als een onderwerp overwegend donker of zwart is de belichtingsmeter er vanuit gaat dat dit 18% grijs moet worden. De foto zal dus overbelicht zijn. Wanneer een onderwerp juist heel licht is (wit) zal de belichtingsmeter dit weer 18% grijs willen maken. Het resultaat is een onderbelichte foto.
Om deze ‘tekortkoming’ in de belichtingmeter op te vangen kunnen we de belichting corrigeren door bewust 1, 2 of zelfs 3 stops meer of minder in te stellen. In het geval van een overwegend zwart onderwerp moet er bijvoorbeeld 1 stop minder belicht worden dan wat de belichtingsmeter aangeeft. Bij een overwegend licht onderwerp zal er 1 of 2 stops meer belicht moeten worden. Dit lijkt onder- en overbelichten, maar in feite corrigeren we de belichtingsmeter en zijn we correct aan het belichten.

Belichting corrigeren kunnen we in alle vier de belichtingsmethoden.

Corrigeren in de (half)automaat

Bij de [P], [Av] en [Tv] stand is er de mogelijkheid om een aantal ‘stops’ van de instelde belichting af te wijken (figuur 10). Dit wordt aangegeven in de term EV (Exposure Value). Tot hoe ver afgeweken kan worden hangt af van de camera. De meesten kunnen maximaal 2EV onder- of overbelichten maar er zijn ook modellen die tot maar liefst 5EV kunnen gaan.

Corrigeren bij manual

Meer corrigeren dan het maximale aantal stops is alleen mogelijk in de volledige handmatige stand. Hiervoor moet de camera dus op de [M] stand gezet worden.Dit in feite niets meer dan kijken wat de belichtingsmeter aangeeft en aan de hand daarvan een instelling kiezen die zoveel afwijkt als gewenst.

ISO (deel 2)

C.Fn I-8 Veiligheidsshift (5D20381)

Fig 11: veiligheid shift van de EOS 1Dmk3 (custom function C.Fn I:8)

Nu kom ik nog even op de ISO instelling van de camera terug.

Zoals al eerder aangegeven is het bij digitale camera’s mogelijk om de ISO waarde per foto in te stellen. Sommige modellen geven de mogelijkheid om de ISO automatisch in te stellen. Dit betekent dat in de [P], [Av] en [Tv] stand de ISO waarde aangepast wordt indien er bij het instellen van het diafragma of sluitertijd een grens bereikt wordt. dit kan de maximale of minimale lensopening zijn, maar ook een bepaalde sluitertijd.

Zoals in figuur 11 te zien is blijft deze instelling een veiligheidsvoorziening. Indien een maximaal diafragma bereikt wordt of de sluitertijd buiten het bereik van de camera valt, zal de ISO aangepast worden. Met name met het diafragma kan snel de limiet behaald worden omdat deze een kortere reikwijdte heeft dan de sluitertijd.

Logica zou zeggen dat deze instelling niet werkt wanneer de camera op [M] ingesteld staat. De fotograaf kiest er ten slotte voor om alles handmatig te gaan doen. Met name Nikon heeft deze mogelijkheid wel. Bij een instelling van een diafragma en sluitertijd zal de camera binnen bepaalde grenzen proberen om de juiste belichting in te stellen door middel van het aanpassen van de ISO waarde.

Let op. Niet alle camera’s bezitten deze mogelijkheid, of het kon onder een andere benaming of plaats in het menu gevonden worden. Een gebruiksaanwijziging zal hier uitsluitsel moeten geven.

Tot slot

Het is aan de fotograaf om te kiezen welke instelling hij of zij het meest prettig vindt. Er is geen goed of slecht. Het enige verschil dat de PSAM modes bieden is de mate van controle over de camera. Maar bij alle vier de manieren is en blijft de belichtingsmeting de basis en aan de hand van die belichtingsmeting wordt de camera ingesteld, of automatisch, of handmatig. De foto zal in in alle gevallen goed belicht zijn.

Ik hoop dat het aan de hand van dit artikel duidelijker is geworden wat de PSAM modes voor mogelijkheden bieden. Alleen door uit te proberen en ermee te spelen is te bepalen wat het fijnste werkt.

12 Thoughts on “PSAM modes

  1. Pingback: Artikel: PSAM modes van de camera | nandoonline

  2. Chris on 02/02/2014 at 2:39 pm said:

    Heel mooie uitleg, THX 😉

  3. Mieke on 14/02/2014 at 1:02 pm said:

    Bijzonder verhelderend Nando en een waardevolle aanvulling voor deze website.
    Groet, Mieke

  4. Mieke on 18/06/2014 at 12:28 pm said:

    Ik wil nog even reageren Nando op je manier van uitleggen.
    Hij is nuchter en verhelderend, geeft aan ook dat men zonder enige schroom alle menu’s kan gebruiken zonder daar op afgerekend te worden. Hier een mede-stander :-)
    Het zal ook niet de eerste en laatste keer zijn dat iemand een wereldfoto maakt in de P-mode.
    Zelf doe ik veel in de M-stand vanwege iets meer controle over wat je wilt bereiken.
    Hartelijke groet, Mieke

  5. rvdb on 24/01/2017 at 3:55 pm said:

    klare taal leuk en leerzaam

  6. Peter on 08/02/2017 at 4:04 pm said:

    Goede uitleg, dank daarvoor. Echter blijft bij mij nog 1 vraag achter; kun je het verschil tussen P en de “auto stand” of te wel de groene stand uitleggen?

    • Dank je voor je bericht, Peter.
      In de P(rogram) stand kiest de camera de sluitertijd en diafragma voor je. De rest stel je allemaal zelf in: RAW of JPEG, ISO, ruisreductie, kleuraanpassingen, witbalans, etc etc
      In de “groene” veilige modes heeft de fabrikant een fool-proof instelling voorgeprogrammeerd: JPEG, auto witbalans, P(rogramma) stand, single shot, etc etc. Je kunt daarin ook weinig camera instellingen meer aanpassen, of zelfs helemaal niets.

  7. Peter on 09/02/2017 at 9:33 am said:

    Dank voor je snelle reactie. Nu maar eerst weer alles gaan uitproberen. Omdat ik meestal vogels fotografeer gebruik ik bijna alleen de “sport” stand. Je krijgt niet vaak de tijd om daarbij andere settings uit te proberen. Wel erg leuk om alles op je site te lezen, zeer leerzaam voor een beginnende fotograaf zoals ik.
    Peter

    • Je kunt vaak een camera instelling bewaren onder de custom instellingen, afhankelijk natuurlijk van je camera. Dan kun je afwijken van de fabrieksinstellingen die onder de sport-stand ingeprogrammeerd zijn, want die zijn in veel gevallen een variant op de P stand. Dit is natuurlijk een kwestie van “op het droge uitproberen” en zorgen dat je de camera van binnen en buiten kent. Dan kun je als het moment daar is blindelings je camera op de juiste instelling krijgen. Veel oefenen dus :)

Een (korte) reactie over wat je ervan vindt wordt op prijs gesteld :)

%d bloggers like this: