figuur 1: EOS 1DmkIII met EF 35mm f/1,4L en Speedlite 580EX
Figuur 1:
EOS 1DmkIII met EF 35mm f/1,4L en Speedlite 580EX

Flitsfotografie

Goede foto's met flits is moeilijk. Moeilijker dan in eerste instantie lijkt; het resultaat is vrijwel altijd net niet wat je ervan verwacht. Maar met wat moeite zijn er goede resultaten te behalen. Het vergt veel oefenen, enkele truks en een (eenvoudig) begrip van hoe de flits precies werkt. Dat laatste lijkt een cruciaal punt te zijn. Als je begrijpt hoe het werkt, wordt het duidelijk waarom iets niet lukt. Daaruit volgt veelal vanzelf de oplossing.
Beter kan toch niet?

Wederom kom ik op het onderwerp merk. Nikon, Pentax, Sony, Canon, Sigma... elk merk heeft zijn eigen flits systeem. Het gaat te ver om ze allemaal te bekijken en begrijpen. Dat is ook zinloos. Ik gebruik Canon (figuur 1) en daarom heb ik dit artikel speciaal met het E-TTL-II systeem van Canon in gedachte geschreven. Toch blijkt uit de verschillende bronnen dat andere merken een vergelijkbaar flits systeem gebruiken. Dit betekent wellicht dat een deel van de informatie ook op die andere merken van toepassing is of zal zijn.

Veel informatie in dit artikel is afkomstig van de volgende websites:

Een hele hoop informatie is theorie over de werking van de flitser. Als die begrepen wordt kan er geëxperimenteerd worden... en dat is nodig. Elke situatie is weer anders; er si gene standaard instelling of oplossing. Maar met kennis van de werking van de flitser zou het mogelijk moeten zijn om aan de hand van een paar richtlijnen te flitsen met een resultaat waar met tevredenheid naar gekeken kan worden. Nogmaals; oefenen met verschillende instellingen en onder verschillende omstandigheden geven een inzicht dat uitstekend van pas komt als het moment daar is.

Achtergrond informatie

E-TTL-II

E-TTL-II betekent: Evaluative - Through The Lens, versie 2. De meeste details zijn verder niet interessant. Canon blijkt ook erg geheimzinnig te zijn om de technische details uit de doeken te doen. Ondanks dat geheimzinnige gedoe is duidelijk dat het E-TTL-II systeem als volgt werkt (figuur 2):

  1. Ontspanknop wordt half ingedrukt: omgevingslicht wordt gemeten
  2. Ontspanknop wordt volledig ingedrukt: voorflits wordt afgevuurd en de reflectielicht gemeten
  3. omgevingslicht en reflectielicht worden vergeleken waarmee de flitssterkte wordt bepaald
  4. camera spiegel gaat omhoog en het eerste sluitergordijn gaat open
  5. de hoofdflits wordt afgevuurd
  6. het tweede sluitergordijn sluit en de camera spiegel klapt neer

Het is belangrijk om dit principe te begrijpen. Het E-TTL-II systeem maakt gebruik van een voorflits en het weerkaatste licht dat gemeten wordt zal bepalend zijn voor de sterkte van de flits tijdens de opname. Het is dan ook niet de duur van de flits die bepalend is voor de hoeveelheid licht die flits afgeeft, maar de intensiteit. De tijdsduur van de flits zelf is namelijk niet veel langer dan 1/1000e seconde, of zelfs nog korter.
Met die gedachte wordt het snel duidelijk dat de sluitertijd dan ook geen invloed heeft op de flits.

Richtgetal

De kracht van een flitser wordt weergegeven als richtgetal. Dit getal geeft de maximale flitsafstand weer bij een ISO waarde van 100.
De term is een overleving uit de tijd dat met deze waarde het diafragma uitgerekend kon worden dat nodig was om een correct belichte foto te krijgen. Tegenwoordig is alles automatisch waardoor het richtgetal bijna een abstracte waarde is geworden. Alleen als de flitser op handmatig gezet wordt, kan het richtgetal wederom gebruikt worden om het juiste diafragma in te stellen. Dit gebeurt met de volgende formule:

f -stop nummer = richtgetal / afstand
afstand = richtgetal / f-stop nummer

Dit is bij ISO100. Indien een andere gevoeligheid gekozen wordt, verandert het richtgetal. Dit kan met 1,4 vermenigvuldigd worden bij verdubbeling van de ISO waarde, of door 0,7 gedeeld bij een halvering van de ISO waarde. Wanneer een flitskop een zoomfunctie heeft, zal het richtgetal beïnvloed worden doordat de lichtbundel smaller wordt naarmate de brandpuntsafstand toeneemt. Het opgegeven maximale richtgetal door fabrikanten is dan ook bij een maximaal ingezoomde flitskop.
Over het algemeen zal het richtgetal niet of nauwelijks gebruikt worden.

Flits synchronisatie tijd (x-sync)

figuur 2: flits synchronisatie tijd in schema
Figuur 2: flits synchronisatie tijd in schema
web.canon.jp/imaging/flashwork/ettl2/high/index.html

Een flits is kort. Erg kort. In dat erg korte moment wordt de foto belicht. Het is dan ook erg belangrijk dat de sluiter van de camera volledig open is als de flits afgaat. Is dat niet het geval, of gaat de flits op het verkeerde moment af, dan zal een deel van de foto niet goed belicht zijn. De flits-synchronisatie tijd is de snelste sluitertijd waarbij de sluitergordijnen volledig open zijn. In figuur 3 en 4 is in slow motion de beweging van een virtuele sluitertijd bij een oude analoge Praktika MTL3 in beeld gebracht, en zoals te zien is, zal bij figuur 4 de korte flits slechts een dunne band van de foto belichten.

figuur 3: flits synchronisatie tijd of langer
Figuur 3:
flits synchronisatie tijd of langere sluitertijden
figuur 4: kortere sluitertijden dan de flits synchronisatietijd
Figuur 4:
kortere sluitertijden dan de flits synchronisatietijd

Vergelijk de bovenste animaties met de schematische weergave in figuur 2. Met behulp van de zogenaamde high-speed sync (ofwel Fast Pulse (FP)) kan er uiteindelijk wel bij snellere sluitertijden gefotografeerd worden. Daarvoor zal de flitstijd aanzienlijk verlengt worden, zodat gedurende de tijd dat de sluitergordijnen zich over de sensor of film bewegen er continu licht is. Dit heeft als consequentie dat de flitser ongeveer 1/3 aan kracht verliest. In de meeste gevallen zal dat geen probleem zijn, zeker niet bij krachtige flitsers.

figuur 5: AF-assist op een Speedlite 580EX
Figuur 5:
AF-assist op een Speedlite 580EX
figuur 6: AF-assist op een Speedlite 580EX
Figuur 6:
AF-assist op een Speedlite 580EX

AF-assist

Er wordt vaak gedacht dat het rode paneel op de voorkant van de flits gebruikt wordt om de flitsmeting te verrichten, of om informatie naar slave-flitsers te sturen. Niets is minder waar. Het rode paneel is niets meer dan een hulpmiddel voor het scherpstellen bij donkere contrastarme omgevingen. En dan ook alleen maar als de camera op single shot AF staat. Bij servo AF werkt het AF assist light ook niet.
AF-assist projecteert een rood lijnenpatroon op het onderwerp, waardoor er voor de auto focus voldoende contrast ontstaat om scherp te stellen. Het is geen infra-rood licht, of bijna infra-rood. De keuze voor deze kleur is onder andere, dat de ogen van mensen minder gevoelig zijn voor rood: het is veel minder storend dan een wit AF-assist light.
De afstand waarover AF-assist werkt is voor de Speedlight maximaal 5-10 meter.

Flash exposure lock (FEL)

Omdat de flitsmeting onafhankelijk van de lichtmeting door de camera werkt, moet men oppassen bij het gebruik van exposure lock en een recompositie maken. De flitser zal pas een meting verrichten na het volledig indrukken van de ontspanknop. De kans bestaat dan dat de flitsmeting niet langer op het onderwerp gemaakt wordt (hoewel ETTL-II hier minder gevoelig voor schijnt te zijn).
Het is met de meeste EOS body's mogelijk om een flitsmeting te verrichten en deze vast te houden. Dit gebeurt met de flash exposure lock, ofwel FEL (ook aangeduid met een asteriks (*)). Er wordt een flitsmeting verricht door op FEL te drukken (een voorflits zal afgaan). Deze meting wordt een aantal seconden in het camera geheugen vastgehouden, wat de tijd geeft om een nieuwe compositie te maken.

Camera instelling

Hier komt de moeilijkheid eigenlijk al om de hoek kijken: hoe stel je de camera in?
Zoals bekend is heeft elke camera de mogelijkheid om 4 programma standen in de stellen: automaat (P), diafragmavoorkeuze (Av), sluitertijdenvoorkeuze (Tv) en volledige handinstelling (M).

mode sluitertijd diafragma
bij FP uitgeschakeld en de flitser op automaat (E-TTL-II)
P automatisch tussen de 1/60e en de x-sync tijd naar gelang het programma bepaald
Av automatisch tussen de 30 sec en de x-sync elke waarde mogelijk
Tv handmatig tussen de 30 sec en de x-sync naar gelang het programma bepaald
M handmatig tussen de 30 sec en de x-xync elke waarde mogelijk

Programma stand (P)

figuur 7: flitsen in de programm mode
Figuur 7:
flitsen in de programm mode

Bij deze stand bepaald de camera in feite alles. Het zal een sluitertijd kiezen die bewegingsonscherpte zoveel mogelijk voorkomt, en het daarbij behorende diafragma. Er wordt uitgegaan van twee mogelijkheden:

1. omgevingslicht is erg helder (> 13EV)
in dit geval gaat het programma er vanuit dat de flitser als fill-in gebruikt wordt. De camera zal zich instellen op het omgevingslicht en de flits een lage output geven om de voorgornd bij te lichten.

2. omgevingslicht is erg donker (< 10EV)
het programma zal er vanuit gaan dat het onderwerp goed uitgelicht moet worden. De camera zal een sluitertijd kiezen tussen de 1/60e (een sluitertijd die geen bewegingsonscherpte hoeft te veroorzaken) en de x-sync tijd van de camera. Het diafragma wordt bepaald aan de hand van het programma.

Omdat de sluitertijd dusdanig gekozen wordt dat bewegingsonscherpte voorkomen wordt, zal bij weinig omgevingslicht de achtergrond (bijna) zwart zijn. In figuur 7 is het resultaat te zien: de sluitertijd is 1/60e seconde, en het diafragma wordt volledig open gezet (f/2,8).

Diafragma voorkeuze (Av)

figuur 8: flitsen met diafragma voorkeuze
Figuur 8:
flitsen met diafragma voorkeuze

Met diafragma voorkeuze kan een diafragma, en dus scherptediepte, naar wens gekozen worden. De camera zal het omgevingslicht meten en een bijbehorende sluitertijd kiezen. De flitser zal als fill-in werken. In een donkere omgeving betekent dit dat de sluitertijd zo lang zal worden dat bewegingsonscherpte een rol gaat spelen.
In figuur 8 is het resultaat van flitsen met diafragma voorkeuze te zien. Hier is gekozen voor diafragma f/5,6. De camera kiest de bijbehorende sluitertijd (3,2 seconden) zodat de omgeving goed belicht wordt, en de flitser belicht het onderwerp bij.
Er is een uitzondering op deze regel. Via een custom functie is het mogelijk om de camera vast op de x-sync te zetten, waardoor de camera geforceerd werkt zoals in de programma stand (P). Het grote verschil is echter, dat in de programma stand een sluitertijd tussen de 1/60 en de x-sync wordt gekozen, en via deze custom functie niet.

Wanneer de lichtomstandigheden een sluitertijd die sneller is dan de x-sync vereisen, zal de flitser op FP gezet moeten worden. De camera zal zonder FP namelijk niet verder gaan dan de x-sync.

figuur 9: flitsen met sluitertijden voorkeuze
Figuur 9:
flitsen met sluitertijden voorkeuze

Sluitertijden voorkeuze (Tv)

De sluitertijd kan naar wens ingesteld worden tussen de 30 seconden en de x-sync. De camera zal via de lichtmeting van de omgeving daar een bijbehorend diafragma kiezen. Net als in de Av stand zal de flitser ook nu als fill-in werken. Er kan geen sluitertijd die sneller is dan de x-sync gekozen worden, tenzij de FP stand van de flitser geactiveerd wordt.

In het voorbeeld (figuur 9) heb ik ervoor gekozen om 1/4 seconde te belichten, wat natuurlijk te weinig is om de omgeving goed belicht op de foto te krijgen. De camera heeft hier het bijbehorende diafragma gepaald, wat in dit geval gelimiteerd werd door een maximale opening van f/2,8. De omgeving is dus donker geworden: de foto is onderbelicht. Echter, zoals te zien is, blijkt het onderwerp goed belicht te zijn. De flitser heeft onafhankelijk van de lichtmeting van de omgeving het onderwerp goed verlicht.

Handmatig (M)

figuur 10: flitsen met handbediening
Figuur 10:
flitsen met handbediening

Met deze camera instelling zal zowel het diafragma als de sluitertijd gekozen moeten worden. Deze keuze zal bepalen hoe de omgeving op de foto gezet wordt: overbelicht, onderbelicht of goed belicht. De flitser zal toch als fill-in werken.
De belichting handmatig instellen geeft volledige controle over de foto: de sluitertijd wordt gekozen om een goed evenwicht tussen de achtergrond verlichting en het onderwerp te kiezen, en het diafragma wordt gekozen om een DOF naar wens te krijgen. Onafhankelijk van deze variabelen zal de flitser het onderwerp goed belichten.

In figuur 10 is het resultaat van een handmatig ingestelde camera (1/4 sec + f/5,6) zien en zoals verwacht is het onderwerp goed belicht terwijl de achtergrond onderbelicht is.

De keuze

Welke programma stand kan nu het beste gekozen worden?
Het nadeel van de program mode is de donkere achtergrond. Het nadeel van de diafragma voorkeuze is de langere sluitertijden bij donkere omgevingen. Het nadeel van de sluitertijden voorkeuze is het verlies over de controle van de scherptediepte. Alleen de camera op handbediening geeft volledige controle over het gebruik van een flits.

In de meeste gevallen is de ruimte waarin gefotografeerd moet worden constant verlicht. Er zijn geen variaties in lichtintensiteit, of heel weinig. Daarom is het redelijk eenvoudig om als voorbereiding het omgevingslicht te meten, en aan de hand daarvan een geschikte sluitertijd en diafragma te kiezen. Vervolgens is het niet meer nodig om dit te herhalen. Alleen als het diafragma verzet wordt (als de scherptediepte verandert moet worden) kan het wenselijk zijn de sluitertijd evenredig te veranderen.

Het voordeel van digitaal is, dat het resultaat snel genoeg op het scherm zichtbaar is. In de meeste gevallen kan dan nog gecorrigeerd worden.

Wanneer er buiten gefotografeerd gaat worden, of in een ruimte met erg veel licht, is het een ander verhaal. In dat geval is het beter om diafragma voorkeuze te gebruiken. De flitser is dan alleen in gebruik om de donkere schaduwpartijen op te lichten: een fill-in flits. Daarover later meer.

Belichtingscorrectie

Er zijn bij het flitsen twee manieren van belichtingscorrectie die onafhankelijk van elkaar werken. Om dit te begrijpen moet het volledig duidelijk zijn dat de camera een meting verricht van het omgevingslicht en dat de camera zich daarop instelt. De flitser meet met een voorflits de reflectie op het onderwerp en stelt de intensiteit van de hoofdflits aan de hand van deze meting af, met in achtneming van de gevoeligheid, afstand, en diafragma.

Op de camera (Exposure value (EV))

Als er op de camera een belichtingscorrectie plaats vindt heeft dat uitsluitend invloed op het omgevingslicht en niet op het onderwerp.
Nogmaals, want dit is belangrijk: dit komt omdat het meten voor de flitser en de meting van het omgevingslicht licht volkomen gescheiden van elkaar gezien moet worden.

figuur 11: -2EV belichtingscorrectie in Av stand
Figuur 11:
-2EV belichtingscorrectie in Av stand
figuur 12: -0EV belichtingscorrectie in Av stand
Figuur 12:
0EV belichtingscorrectie in Av stand
figuur 13: +2EV belichtingscorrectie in Av stand
Figuur 13:
+2EV belichtingscorrectie in Av stand

Belichtingscorrectie wordt natuurlijk gebruikt bij diafragma of sluitertijden voorkeuze, en niet bij een handmatige instelling. In de voorbeelden heb ik bij de sluitertijd voorkeuze de foto onderbelicht (figuur 11); de achtergrond is donkerder geworden, terwijl het onderwerp de juiste belichting heeft. In figuur 11 tot en met 13 is te zien dat de omgeving beïnvloed wordt door de belichtingscorrectie, terwijl het onderwerp gelijk belicht blijft. In figuur 13 is te zien dat bij overbelichting het omgevingslicht ook op het onderwerp invloed uitoefent en het daardoor overbelicht wordt. De flits intensiteit zal in dat laatste geval minimaal zijn.

In de praktijk zal deze vorm belichtingscorrectie niet snel in een binnen omgeving nodig zijn. Belichtingscorrectie kan buiten wel een rol gaan spelen.

Op de flitser (Flash Exposure Correction (FEC))

Als de flitsinstensiteit op de flitser gecorrigeerd wordt, heeft dat uitsluitend invloed op het onderwerp en niet op het omgevingslicht.
Dit bekent in theorie dat de belichting van het omgevingslicht onveranderd blijft, terwijl de flitser een afwijkende hoeveelheid licht geeft ten opzichte van wat er nodig is. Dat is in figuur 14 en 15 ook duidelijk zichtbaar. In figuur 16 is de extra flits intensiteit merkbaar op de achtergrond, die meebelicht wordt. Uiteraard zal de afstand een rol spelen: hoe verder de achtergrond verwijderd is, hoe minder dit merkbaar zal zijn.

figuur 14: -2FEC belichtingscorrectie in Av stand
Figuur 14:
-2FEC belichtingscorrectie in Av stand
figuur 15: -0FEC belichtingscorrectie in Av stand
Figuur 15:
0FEC belichtingscorrectie in Av stand
figuur 16: +2FEC belichtingscorrectie in Av stand
Figuur 16:
+2FEC belichtingscorrectie in Av stand

Binnen zal FEC gebruikt moeten worden bij sterk reflecterende of licht absorberende onderwerpen, buiten om de flits niet als hoofdlichtbron te hebben. Hierop kom ik in het volgende stukje terug.

Correctie vanwege (afwijkende) reflectie van het onderwerp

Als een onderwerp licht absorbeert, of erg reflecteert, zal de de voorflits een valse meting verrichten. Het onderwerp zal in deze gevallen respectievelijk overbelicht of onderbelicht zijn. Dit verschijnsel komt veel voor bij mensen die donkere kleding of juist lichte (witte) kleding dragen. Bij absorberende oppervlakten zal er namelijk te weinig licht gereflecteerd worden waardoor de flitser denkt dat het donkerder is dan het werkelijk is. Daarom zal de flitsintensiteit hoger zijn dan nodig en dus zal er overbelichting plaatsvinden. Bij reflecterende oppervlakten is het tegenovergestelde aan de hand: doordat er teveel licht van de voorflits gereflecteerd wordt, zal de flitser denken dat het lichter is dan werkelijk het geval is. Zodoende zal de flits minder licht geven waardoor de foto onderbelicht raakt. Er is geen gesloten regel te maken die deze omstandigheden volledig opvangt, maar met wat inzicht kan er al wel op ingespeeld worden.
De belichtingscorrectie van de camera zal geen goed resultaat opleveren, terwijl dat het eerste is waarnaar gedacht zal worden. De flitsintensiteit zal niet beïnvloed worden, zoals we gezien hebben, waardoor er feitelijk niets verandert. Een FEC is hier de enige juiste manier, want alleen daarmee kan de flitsintensiteit geïnvloed worden om over- of onderbelichting te voorkomen.

Voor sterk reflecterende onderwerpen kan uitgegaan worden van: + 1 FEC

Voor sterk absorberende onderwerpen kan uitgegaan worden van - 1 FEC

Kijk na het fotograferen op het scherm (en/of histogram) en bepaal aan de hand daarvan of de correctie afdoende was. Indien mogelijk kan dan nog een opname gemaakt worden.

Wanneer welke instelling

In principe zijn er twee algemene situatie waarin een flitser gebruikt kan of zal worden. De eerste situatie is voor de hand liggend: in een donkere omgeving. Huiskamer, feestzaal... kortom, binnen of in de avonduren. De tweede situatie is tijdens daglicht buiten, om als invulflits te dienen voor het oplichten van donkere of harde schaduwen, met name tijdens zonnig weer. Elk van deze situaties vereist een eigen voorkeurs instelling die ik hieronder beschrijf. Natuurlijk is het geen regel, maar een richtlijn. Vanuit deze richtlijn kan naar de juiste instelling verder gecorrigeerd worden.

Flits bij donkere omgeving

Gebruik de camera op handinstelling (M). Meet het omgevingslicht van de ruimte op verschillende plaatsen en vanaf verschillende posities met een diafragma naar wens. Bepaal aan de hand daarvan een geschikte sluitertijd, die bij voorkeur niet lager mag liggen dan 1/60e vanwege bewegingsonscherpte (vertrouw niet op beeld stabilitatie omdat deze het onderwerp niet 'bevriest'). Zet eventueel de gevoeligheid hoger als de ruimte erg donker is. Met de huidige generaties camera's kan vaak zonder problemen een ISO waarde van 1600 gekozen worden. Maak een paar testfoto's en bekijk het resultaat. Stel de flitser eventueel bij met FEC.
Voor de rest van de foto's is het niet meer nodig om nog instellingen te veranderen, tenzij de lichtomstandigheden van de omgeving echt anders wordt.

Overweeg de mogelijkheid om de flitser indirect te gebruiken.

Flits als invullicht bij lichte omgeving.

Zet de camera op diafragma voorkeuze (Av) en activeer op de flitser de FP stand om de camera de mogelijkheid te geven snellere sluitertijden dan de x-sync te gebruiken. De flitser mag niet als hoofd lichtbron fungeren, dus zet de FEC op -1 of zelfs -2 of -3. Maak een paar testfoto's om het effect te bekijken en laat de instellingen verder ongewijzigd. Speel alleen met het diafragma en eventueel met belichtingscorrectie (op de camera) bij veel tegenlicht.
Indien de omgeving minder dominant op de foto moet komen, is het raadzaam om de omgeving 1 tot 2 stops onder te belichten met de belichtingscorrectie op de camera. De flitser zal in dat geval het onderwerp voldoende bijlichten.

Dragging the shutter

Dragging the shutter betekent niets meer dan flitsen met lange sluitertijd.
Zoals reeds is uitgelegd, zal sluitertijd geen invloed hebben op het onderwerp dat belicht wordt door de flits. Wanneer het onderwerp in een donkere omgeving staat zal de achtergrond niet verlicht worden door het flitslicht; alleen het onderwerp zal correct verlicht worden. Wanneer de sluitertijd verlengt wordt, zal het omgevingslicht een rol gaan spelen in de foto, tot de sluitertijd zo lang wordt dat het onderwerp door het omgevingslicht belicht zal worden; de flitser zal dan alles slechts overbelichten. Dit is te zien in figuur 13.
Over het algemeen zal gelden dat de omgeving 1,5 tot 2 stops onderbelicht kan worden zonder dat dit verzand in een veel te donkere achtergrond. Het onderwerp wordt dan verder bijgelicht door het flitslicht. De balans tussen omgeving en onderwerp is in de meeste gevallen mooi in balans. Deze methode wordt 'dragging the shutter' genoemd.

Lange sluitertijden veroorzaken bewegingsonscherpte. Niet alleen van de fotograaf, maar ook van het onderwerp. Er geld een regel dat de minimale sluitertijd waarbij bewegingsonscherpte voorkomen kan worden 1 / focale afstand is. Met een 50mm objectief is dit dan 1/50e seconde. In donkere omgevingen kan de sluitertijd maar liefst tot 1/5e seconde oplopen, wat dus bewegingsonscherpte tot gevolg heeft of zou hebben. En toch levert een flitsfoto een scherpte foto op. Dit komt omdat het onderwerp als een silhouet afgebeeld zou worden als er niet geflitst werd (1,5 - 2 stops onderbelicht). De tijdsduur van de flits bevriest het onderwerp op de foto, immers, een flits zal niet veel meer dan 1/10000e seconde duren.

Hulpmiddelen

figuur 17: hulpmiddelen voor flitsgebruik
Figuur 17: hulpmiddelen voor flitsgebruik

Er zijn een groot aantal accessoires beschikbaar en verkrijgbaar die een beter flits resultaat moeten garanderen. Er zijn veel te veel accessoires om ze allemaal te behandelen, dus ik beperk me tot de accessoires en hulpmiddelen die ik gebruik, gebruikt heb. of ter beschikking heb. Het grootste deel van deze dingen zijn te vinden in figuur 17. Uiteindelijk omt het erop neer dat elk hulpmiddel geschikt is voor een of twee specifieke doeleinden of situaties. Welke dat zijn is proefondervindelijk, en persoonsgebonden. Over het algemeen kan een goed gebruik van de flitser zonder veel middelen volbracht worden, maar soms is het wel heel gemakkelijk om wat extra dingen achter de hand te hebben. Aan de accessoires in figuur 17 heb ik tot op heden nog voldoende gehad, en ik zie niet een reden om snel extra spullen voor de flitser te moeten kopen. Ik som mijn hulpmiddelen een voor een op.

Flash bracket

Een groot nadeel van flitsen zijn de slagschaduwen die achter het onderwerp (kunnen) ontstaan. Als de camera in landscape stand gehouden wordt, zullen die schaduwen in de meeste gevallen achter het onderwerp verborgen blijven. Wordt de camera in portrait stand gebruikt, dan zal de flits zicht naast de camera bevinden, in plaats van daarboven. Dit zal een slagschaduw naast het onderwerp veroorzaken. En dat is lelijk storend.
Het antwoord daarop is een flash bracket.

Er zijn veel merken flash brackets, die ik niet allemaal ga opsommen. De keuze is een persoonlijke, maar ze doen in feite allemaal hetzelfde: ze houden de flitser recht boven het camera, ongeacht de positie van de camera. Hierdoor zullen de slagschaduwen altijd achter het onderwerp verborgen blijven.
De keuze voor een Arca Swiss compatible balhoofd voor mijn statief, en het gebruik van een L-bracket bracht me bij het Really Right Stuff Perfect Portrait System: een deels modulair systeem dat met een geleider de flits traploos kan verplaatsen (figuur 17). Inmiddels heeft RRS ook een alternatief, maar ik ben persoonlijk gecharmeerd van de rail die de positie van de flitser bijna traploos laat instellen. Bovendien blijft de positie van de flitser hetzelfde, waardoor het mogelijk blijft om gebruik te maken van een bouncecard zoals in figuur 18, waar een foto van mijzelf is gemaakt tijdens een bruiloft met de opstelling die ik gebruik. Het nadeel van een flash bracket is het omvangrijke ervan. De camera wordt een hele 'installatie', zoals in figuur 18 duidelijk te zien is.

figuur 18: uiterlijk van een RRS flash bracket in gebruik
Figuur 18: uiterlijk van een RRS flash bracket (Portrait Perfect Package) op de camera

Indirect flitsen

Een flash bracket zal de zijdelingse slagschaduwen grotendeels voorkomen, maar het licht blijft altijd frontaal en hard, ook met een bouncecard. Dit is te verzachten door een diffusor te plaatsen, of door indirect te gaan flitsen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van reflecterende vlakken in de ruimte zelf, waardoor het licht minder hard wordt, en de omgeving deels mee verlicht wordt.

figuur 19: Gebruik van RRS Portrait Perfect Package
Figuur 19:
Gebruik van RRS Portrait Perfect Package en indirect flitsen
met behulp van een bounce card

Voordelen

Nadelen

Het indirect flitsen kan via een plafond, zijmuur, over de (eigen) schouder heen of zelfs via een persoon met een wit shirt aan als er geen zijmuur is. Het grootste nadeel van indirect flitsen is de vergrootte afstand. Bij een afstand van 3 meter tot het onderwerp, zal een flitser frontaal weinig moeite hebben om het onderwerp goed te belichten. Wanneer indirect via het plafond geflitst wordt, zal de afstand die het flitslicht moet afleggen groter zijn. Bij een plafond dat 2,5 meter hoog is (huiskamer) zal het flitslicht minimaal 5 meter moeten afleggen in plaats van de 3 meter. Daarvoor is meer kracht nodig, en dus zullen batterijen sneller uitgeput raken. Om dit te voorkomen is het altijd aan te raden om een hoge ISO in te stellen waardoor de flitser minder hard hoeft te werken. Als bijkomend voordeel zal het omgevingslicht een rol gaan spelen (vooral in donkere ruimten) waardoor het flitsen een 'natuurlijker effect' oplevert, zoals hierboven reeds is weergegeven.

Via plafond
Indirect via het plafond heeft als nadeel dat het licht voornamelijk van boven komt, en dus schaduwen onder de neus en wenkbrauwen geeft. Het is dan noodzakelijk om een bounce card te gebruiken, die een deel van het licht naar voren weerkaatst zodat die donkere delen toch opgelicht worden.

Via zijmuur
Via de zijmuur geld hetzelfde als via het plafond: schaduwen op ongewenste plekken. Ook hier werkt een bounce card op de flitser uitmuntend om het onderwerp wat direct licht te kunnen geven.

Over de schouder
Schuin over de schouder is een van de mooiere manieren, omdat zodoende een echte softbox gesimuleerd kan worden. De bounce card heeft in dit geval nauwelijks zin. Deze kan echter vervangen worden door een donkere lichtabsorberende kaart: een halve snoot light genoemd. Omdat de fotograaf veelal voor het 'publiek' staat, met name bij een reportage, kan het flitslicht als erg hinderlijk ervaren worden. Door een halve snoot light te gebruiken, worden de mensen minder opgeschrikte door de flits terwijl het effect van over de schouder flitsen behouden blijft.

figuur 20: Bounce card
Figuur 20:
Bounce card in met de camera in twee posities

Een bounce card
Bij gebrek aan een muur, een te hoog plafond of een gekleurde wand, of om een deel van het flitslicht bij indirect flitsen toch naar voren te reflecteren, is het mogelijk om via een klein reflectiescherm op de flitser te werken: een bouncecard. Er zijn veel hulpmiddelen beschikbaar, vaak verschrikkelijk duur, omvangrijk en waarvan het nut wel eens overschat wordt. Er is veel te vinden over de zin en onzin van deze hulpmiddelen, en ik ga die niet behandelen.
Ik heb veel getwijfeld over de aanschaf van een dergelijk (duur) hulpmiddel, en ben uiteindelijk terecht gekomen bij de site genaamd ABetterBounceCard.com (www.abetterbouncecard.com), waar uitgelegd wordt hoe voor een paar euro een veelzijdig reflectiescherm gemaakt kan worden wat voor mij perfect werkt. Dit stukje foam en wat klitteband is werkelijk low-budget, eenvoudig te vervangen indien het beschadigd, en het weegt niets.
Er is één belangrijke tip bij het gebruik van een bounce-card; draai de flitskop 90° opzij, zodat de smalle kant naar voren wijst, Wanneer de camera in portrait stand gehouden wordt, kan de flitskop gekanteld worden zodat deze naar boven blijft wijzen (figuur 20). Met de standaard producten in de winkel is dit vaak niet mogelijk.

Omnibounce
De zogenaamde omnibounce lijkt een leuk ding, maar ik heb nooit echt bevredigende resultaten kunnen krijgen. Bevestigd op een flitser verdeeld de omnibounce het licht waardoor er niet alleen maar frontaal licht is, maar ook indirect. Dat klinkt leuk, maar door de constructie gaat er veel licht verloren, zeker in grote ruimten. Reflecteren via wanden en of plafond vergt erg veel kracht, zodat de batterijen zwaar belast worden en sneller leeg raken. De kans is zelfs groot dat de flitser niet genoeg kracht overhoud om dan via de wanden te weerkaatsen, waardoor de omnibouce uitsluitend zal gaan werken als een soort softbox, terwijl er veel licht in andere richtingen verloren gaat.
Een bounce-card heeft een grote voorkeur boven een omnibouce.

figuur 22: Lumniquest softbox
Figuur 22:
Lumniquest softbox
figuur 21: Omnibounce
Figuur 21:
Omnibounce

Softbox

In eerste instantie wordt met een softbox direct aan een studio opstelling gedacht. Er zijn echter ook softboxen verkrijgbaar die op camera-flitsers gemonteerd kunnen worden om zodoende het effect van een studio flitser te immiteren. Ik zeg immiteren, omdat het nooit helemaal gelijk aan de kracht en het formaat van een studio flitser kan zijn. Een softbox op de flitser geeft echter wel een veel diffuser licht waardoor schaduwen verzacht worden en het licht mooier verdeeld.
Wanneer een flitser met softbox los van de camera gebruikt wordt, kan met deze beperkte middelen een eenvoudige studio achtige opstelling verkregen worden.

Reflectieschermen

Reflectieschermen zijn een handig middel om harde schaduwen op te lichten. Doordat een reflectie scherm gebruik maakt van het reeds aanwezige (flits)licht kan een tweede flitser overbodig zijn. Een reflectiescherm bij fotograferen in direct zonlicht kan zelfs een invulflits overbodig maken.
Deze reflectieschermen zijn er in veel maten en vormen. Een klein formaat van ongeveer 30 à 40 cm in doorsnede is een handige accessoire om bij te hebben.

CTO gel

Wordt snel aangevuld met fotograferen in kunstlicht omgevingen met behulp van CTO gels